
“Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.”
Wij willen u en jou uitnodigen om dit met elkaar te herdenken. Wij vinden het belangrijk om er bij stil te staan dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. We zullen starten in dorpshuis Rehoboth met medewerking van enkele dorpsgenoten en het koperensemble. Vlak voor 20.00 uur zullen we gezamenlijk naar het Tweelingbeeld lopen.
Inloop in muziekzaal dorpshuis Rehoboth, ontvangst met koffie/ thee
Leerlingen van de basisschool hebben gedichten geschreven, die kunt u hier lezen
Het koperensemble speelt enkele koralen.
Welkom
Geschiedenis in beeld
Het koperensemble speelt enkele koralen
Gedichten door 4 leerlingen van de basisschool
Column
Gezamenlijk zullen we in stilte vertrekken naar het Tweelingbeeld
Het koperensemble speelt enkele koralen
Het taptoe signaal
2 minuten stilte
Volkslied
Mogelijkheid om bloemen neer te leggen bij het Tweelingbeeld
Rij na rij witte stenen met namen, geboorte- en sterfdata. Jacoba van Welij, 10 jaar. Jan Akkerman,
20 jaar. Maria Bos-Philipsen, 44 jaar. Matthijs van der Harst, 75 jaar. Wie tussen de bijna
vierduizend graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers op Nationaal Ereveld Loenen loopt, ziet
een dwarsdoorsnede van een samenleving die door oorlog werd overvallen. Jonge en oude levens.
Arbeiders en notabelen. Huismoeders en boeren. Soldaten en burgers. Mensen met plannen,
dromen, levens. Niet wetende dat ze ooit oorlog zouden meemaken, en dat ze daarin voor grote
keuzes zouden komen te staan. Niet wetende dat ze ooit onderdeel van herdenkingen zouden
worden.
De laatste ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog overlijden. Binnenkort kunnen ze ons
niet meer vertellen over de overrompeling en het daaropvolgende lijden van henzelf en dat
van anderen. We putten straks niet meer uit hun directe herinneringen en stemmen, maar zijn
aangewezen op wat is nagelaten aan getuigenissen, waarschuwingen en lessen.
Als samenleving zijn we collectieve erfgenamen van hun ervaringen, ongeacht of we direct van
hen afstammen, ongeacht wat onze voorouders in die jaren goed of fout hebben gedaan. En juist
daarom is het noodzakelijk om ons in te leven in wat er gebeurde. Niet alleen om te begrijpen hoe
het zover kon komen, maar ook om eerlijk te zijn over de vraag of het nog een keer zou kunnen
gebeuren.
Hiervoor moeten we niet alleen kijken naar individuele verhalen, maar juist ook naar mechanismen
die leidden tot een machinerie van uitsluiting en vernietiging. De geschiedenis leert ons dat veruit
de meeste Nederlanders in de oorlogsjaren aanvankelijk niet extreem goed of extreem fout waren.
De meesten waren ergens tussenin: stil, afwachtend, bang. Ze zwegen, dachten dat het zo’n vaart
niet zou lopen.
Ook veel van de in Loenen begraven oorlogsslachtoffers leefden vóór mei 1940 in een land dat zich
modern en beschaafd waande. Nederland zou neutraal blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog.
De democratie was stevig verankerd. Massamoord? Dat gebeurde elders in de wereld, of in andere
tijden. Niet hier, niet nu, niet bij ons.
En toch gebeurde het. Niet direct na de Duitse inval, maar geleidelijk. Het begon met woorden.
Met het aanwijzen van ‘de ander’, met wij-zij-denken dat steeds scherper werd en opschoof
richting ontmenselijking. Joden, Roma en Sinti werden vergeleken met ongedierte en ziektes.
Gehandicapten, homoseksuelen, Jehova’s en politieke tegenstanders werden afgeschilderd als
gevaar. Retorisch en systematisch werd een weg geplaveid voor een nieuwe werkelijkheid en wie
daar kritiek op had werd geïntimideerd.
Na 1945 werd de heldhaftige minderheid geëerd die zich met gevaar voor lijf en goed verzette.
Later kwam er aandacht voor de slachtoffers, hoe zij apart werden gezet, vastgezet, afgevoerd
en vermoord. Hoe dwangarbeiders werden gedwongen om in andere landen te werken en daar
stierven van uitputting. Ook ontstond er vanaf de jaren zestig een journalistieke fascinatie voor
oorlogsmisdadigers die nog vrij rondliepen. Het leidde tot indringende verhalen over de architecten
van het kwaad en fanatici die gretig het systeem dienden. Maar opmerkelijk genoeg is er in al die
decennia aan geschiedschrijving relatief weinig aandacht geweest voor mensen die stap voor stap
medeplichtig werden: de alledaagse daders.
We kennen de namen van hen die de machinerie van genocide ontwierpen, maar gaan voorbij aan
de duizenden Nederlanders die dit mogelijk maakten. Die dachten: ik ben geen slecht mens, ik
doe wat mij wordt opgedragen. Politieagenten die Roma en Sinti uit hun woongemeenschappen
sleepten en op transport zetten, burgemeesters die actief Joden in hun gemeenten aanwezen
voor deportatie, ambtenaren die nauwgezet lijsten bijhielden, notarissen die bezittingen juridisch
overhevelden, spoorwegmedewerkers die treinen lieten rijden. Allen doorsneemensen die niet
wakker werden met de gedachte: laat ik me vandaag medeschuldig maken aan genocide. En toch
werkten ze er allen op hun eigen manier aan mee, soms onwetend, soms onder druk, soms ook
heel bewust.
Bij elke stap zullen er rationalisaties zijn geweest.
“Het is maar een kleine opdracht.”
“Ik volg alleen orders.”
“Als ik het niet doe, dan doet een ander het wel.”
En dan is er nog een cruciaal radertje in de machine die die nieuwe werkelijkheid faciliteerde:
de stilzwijgende meerderheid. Wanneer we daarover praten, ligt de veroordeling vaak snel
klaar. Maar kijken we genoeg met een onderzoekende blik? We weten nauwelijks iets over hun
beweegredenen, zelfs al waren ze met velen. Dachten zij: het zijn de anderen, ons treft het niet?
Zwegen deze omstanders uit angst voor represailles, uit onverschilligheid, uit ongeloof? En
wanneer kwam het moment dat zij ontdekten dat werkelijk niemand veilig is, als de vrijheid van
anderen met voeten wordt getreden?
Vaak gaat het op 4 en 5 mei over de vraag: wat zou jij hebben gedaan? Zou je een stille
toeschouwer zijn geweest of zou je mensen hebben geholpen? Het is een voor de hand liggend
dilemma, waarmee echter een verkeerd signaal wordt afgegeven. Alsof je pas hoeft te handelen
wanneer de situatie identiek is aan die van de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Alsof
de geschiedenis zich altijd zo duidelijk aandient. Dergelijke vragen over het wel of niet helpen
in oorlogstijd gaan voorbij aan de complexiteit. En ze gaan voorbij aan de kleine, verraderlijke
stappen waardoor een systeem van alledaagse medeplichtigheid kan ontstaan.
Als erfgenamen van de generatie die de Tweede Wereldoorlog meemaakte, dienen we dus nog iets
toe te voegen aan herdenken en vieren, namelijk: leren begrijpen. Dat hoeft niet beperkt te blijven
tot 4 en 5 mei, dat kan het hele jaar door. Stimuleer je naasten, je collega’s en je dorpsgenoten om
niet alleen te luisteren naar verhalen van helden en slachtoffers, maar ga met elkaar in gesprek
over de complexe realiteit. Over processen die in dusdanig veel stappen werden opgedeeld dat
verantwoordelijkheden vervaagden. Welke mechanismen leidden ertoe dat gewone mensen dader
werden? Welke signalen herkennen we? Welke dehumaniserende retoriek vinden we in het hier en
nu te ver gaan? En wat zouden we al in een vroeg stadium voor een ander kunnen doen?
De graven op Nationaal Ereveld Loenen vertellen het verhaal van een samenleving die werd
meegesleurd in een oorlog waar ze zich niet op had voorbereid. Ze herinneren ons eraan dat de
eerste keer je ergens tegen verzetten en je ergens over uitspreken waarschijnlijk sneller komt dan
je verwacht. Bij de eerste ontmenselijkende opmerking. Bij de eerste situatie waarvan je gevoel
zegt dat die niet deugt. Bij de eerste signalen dat er uitholling van de democratische rechtsstaat
plaatsvindt. Want als we nu al niet durven te handelen, in een periode waarin het veilig is, zullen we dat zeker niet doen wanneer het echt gevaarlijk wordt.
© Stichting Dorpsactiviteiten Gerkesklooster Stroobos 2026